Waar de reeks over gaat
In drie artikelen stond één fenomeen centraal: veel mensen ontlenen hun zelfzekerheid aan wat hun lukt en aan de waardering die dat oplevert. Dat werkt zolang het lukt, maar het maakt kwetsbaar voor elke tegenvaller. Op de lange duur leidt het langs twee wegen tot problemen. De ene is uitputting: mensen blijven gedrag leveren dat gewaardeerd wordt, ook als het hen steeds meer kost. De andere is stilstand: mensen zetten geen nieuwe stappen meer, omdat mislukken te veel op het spel zet, en verliezen zo het zicht op wat hen drijft.
De reeks maakte daarbij een onderscheid tussen trots en vertrouwen. Trots komt achteraf en hecht zich aan wat gelukt is. Vertrouwen gaat vooraf en rust op iets wat niet van de uitkomst afhangt. Dit artikel gaat een laag dieper. Wat zegt het onderzoek over dit onderscheid? En waar in de persoon zit het verschil?
Wat het onderzoek laat zien
Het idee dat eigenwaarde voorwaardelijk kan zijn, is niet nieuw. Carl Rogers (1959) beschreef hoe kinderen conditions of worth meekrijgen: voorwaarden waaronder ze gewaardeerd worden. Wie die voorwaarden overneemt, gaat zichzelf alleen waarderen wanneer eraan is voldaan.
Jennifer Crocker en collega’s werkten dit sinds het begin van deze eeuw empirisch uit onder de noemer contingencies of self-worth (Crocker en Wolfe, 2001). Hun onderzoek naar studenten die wachtten op toelating tot een vervolgopleiding liet zien hoe sterk het gevoel van eigenwaarde meebeweegt met uitkomsten, maar alleen bij wie zijn eigenwaarde aan dat domein heeft verbonden (Crocker, Sommers en Luhtanen, 2002). In een overzichtsartikel beschreven Crocker en Park (2004) de prijs daarvan: minder leren, minder autonomie, meer spanning en kwetsbaardere relaties.
Michael Kernis (2003) maakte een onderscheid dat voor de reeks centraal staat. Een hoge eigenwaarde kan stevig of breekbaar zijn, en van buiten zijn die twee nauwelijks te onderscheiden. Deci en Ryan (1995) maakten een vergelijkbaar onderscheid tussen voorwaardelijke eigenwaarde en eigenwaarde die voortkomt uit handelen vanuit jezelf.
Voor de verbinding met uitputting is vooral Zweeds onderzoek naar performance-based self-esteem van belang. Hallsten, Josephson en Torgén (2005) beschreven eigenwaarde die aan presteren hangt als een drijvende kracht in het proces richting burnout, en Blom (2012) vond bij werkende vrouwen en mannen een samenhang tussen voorwaardelijke eigenwaarde en burnoutklachten. Onderzoek naar emotioneel werk wijst in dezelfde richting: gedrag dat aan de buitenkant wordt opgevoerd zonder dat het van binnen wordt gedragen, gaat samen met meer emotional exhaustion (Grandey, 2003).
Dat waardering als bron van zekerheid niet blijvend werkt, sluit aan bij wat Brickman en Campbell (1971) de hedonische tredmolen noemden: wat eerst voldoening geeft, wordt de nieuwe nullijn. Wat je goed kunt, wordt eerst opgemerkt en daarna gewoon gevonden, en wie op die waardering steunt, moet steeds meer leveren voor hetzelfde effect.
Voor de stilstand ten slotte zijn twee lijnen relevant. Elliot en Church (1997) lieten zien dat doelen die gericht zijn op het vermijden van falen samengaan met minder intrinsieke motivatie dan doelen die gericht zijn op iets bereiken. En Ibarra (2003) toonde in haar onderzoek naar loopbaanveranderingen dat mensen hun richting zelden vinden door eerst na te denken en dan te handelen. Het inzicht volgt op het experiment.
Samen vormen deze lijnen een consistent beeld. Wat het onderzoek minder goed laat zien, is waar het verschil tussen de stevige en de breekbare variant in de persoon zit. Daar komt de me.scan in beeld.
Drie lagen
De me.scan kijkt op drie lagen naar een persoon.
De beeldlaag is een keuze uit beelden die pre-reflectief wordt gemaakt: vóór het nadenken over wat gewenst of passend is. Ze laat per archetypisch thema zien of iemand zich ertoe aangetrokken voelt of er weerstand tegen heeft.
De gedragslaag bestaat uit gedragscompetenties die iemand bewust als eigen herkent of niet. Dit is het gedrag zoals iemand het van zichzelf kent, en zoals anderen het meestal ook zien.
De bewustzijnslaag, ook wel de kern, gaat niet over gedrag maar over zelfbewustzijn: wat iemand over zichzelf voelt, weet, ziet en begrijpt.
Het onderscheid tussen trots en vertrouwen loopt langs deze lagen.
Trots volgt de gedragslijn
Trots hecht zich aan wat je doet en wat daarvan lukt. Dat is de gedragslaag: het gedrag dat je als eigen herkent en waarvoor je gewaardeerd wordt.
Maar dat gedrag is niet allemaal van dezelfde soort. Waar een gedragsthema samenvalt met aantrekking in de beeldlaag, spreekt de me.scan van Natuurlijke Kracht. Het gedrag komt vanzelf en geeft energie. Waar iemand gedrag als eigen herkent op een thema waartegen hij in de beeldlaag weerstand heeft, spreekt de me.scan van Kwetsbare Kracht. Dat gedrag is werkelijk aanwezig en vaak effectief. Anderen ervaren het soms zelfs als iemands sterkste kwaliteit. Wat ontbreekt, is niet de kwaliteit van het gedrag, maar een eigen voorkeur voor het thema. Het gedrag is ontwikkeld op een thema dat iemand innerlijk afwijst, en daarom kost het structureel energie, ook als het goed gaat.
Wat Kwetsbare Kracht aandrijft, is niet in de eerste plaats dat de omgeving erom vraagt. Het is wat die vraag van buiten van binnen raakt: een behoefte, en de angst die daar de keerzijde van is. Afhankelijk van het thema is dat bijvoorbeeld de behoefte aan geborgenheid, veiligheid en verbondenheid, met de angst om er niet meer bij te horen (Mensgericht), of de behoefte om zeker te stellen dat het resultaat er komt en standhoudt, met de angst om te verliezen wat is opgebouwd (Reëel). Hier raken het model en het onderzoek naar voorwaardelijke eigenwaarde elkaar. Wie zijn waarde ontleent aan erbij horen of aan het resultaat, blijft het gedrag leveren dat die waarde veiligstelt.
Voor trots maakt dit verschil niets uit. Je kunt even trots zijn op Natuurlijke Kracht als op Kwetsbare Kracht, en de omgeving waardeert beide evenzeer. De waardering voor Kwetsbare Kracht geeft zelfs energie, maar kortdurend: ze ebt weg en de behoefte aan nieuwe bevestiging keert terug. Zo wordt gedrag dat op termijn uitput, op korte termijn beloond. Dat is het mechanisme achter het tweede artikel van de reeks.
Vertrouwen rust op de kern
Vertrouwen hecht zich niet aan gedrag, maar aan wat eronder ligt. In de me.scan is dat de kern. Die bestaat uit vier dimensies, elk met een eigen soort zelfbewustzijn:
- Passie: voelen wat voor jou van waarde is. Een gevoeld oordeel, geen beredeneerd oordeel.
- Vorm: je eigen maat kennen. Weten waar voor jou de grens ligt en wat je van jezelf vraagt.
- Actie: zien dat jij degene bent die kan handelen, uit jezelf kan beginnen en anderen kan meenemen.
- Aanpassing: begrijpen wat een situatie redelijkerwijs vraagt en wat past.
Het algemene artikel noemde alleen de eerste twee, om het eenvoudig te houden. Het volledige beeld vraagt alle vier.
Een belangrijke nuance: vertrouwen rust niet op een kern die zo vol mogelijk is, maar op een kern die in evenwicht is. De vier dimensies vormen twee paren. Passie en Vorm vormen samen de innerlijke ruimte: wat van waarde is en de eigen maat waarbinnen dat een plek krijgt. Actie en Aanpassing vormen samen de speelruimte: het zien dat je kunt handelen en het begrijpen wat de situatie vraagt. Pas waar beide dimensies van een paar aanwezig zijn, houden ze elkaar in balans. Dat geldt niet wanneer beide dubbel aanwezig zijn, en ook niet wanneer de begrenzende dimensie (Vorm, Aanpassing) dubbel aanwezig is tegenover een enkele stuwende (Passie, Actie).
Een kern waarin de begrenzende kant zwaarder is gevuld dan de stuwende, is iets anders dan vertrouwen. Een dubbel normbewustzijn (Vorm) naast een enkel waardenbewustzijn (Passie) maakt streng voor zichzelf: de eigen maat dekt af wat iemand van waarde vindt. Het besef van wat van waarde is, krijgt binnen die strenge maat weinig ruimte.
Het model van de me.scan gaat ervan uit dat het evenwicht in de kern ertoe doet op het moment dat het erop aankomt. De hypothese is dat een evenwichtige kern onder aanhoudende druk het doorschieten van gedrag dat energie kost tempert. De verschuiving naar uitputting zou dan langzamer gaan, en een terugval zou langer een signaal blijven in plaats van een toestand. Een kern zonder evenwicht zou dat tegenwicht niet bieden. Het gaat daarbij om evenwicht, niet om hoe vol de kern is. Het is een hypothese die nog getoetst moet worden. Onderzoek naar persoonlijke hulpbronnen, een verwant maar ander begrip, vond zo’n dempend effect niet (Xanthopoulou e.a., 2007).
Wat je aan gedrag niet ziet
Het lastigste aan het onderscheid tussen trots en vertrouwen is dat het van buiten niet te zien is. Twee mensen kunnen hetzelfde gedrag laten zien en toch een tegengestelde kern hebben. De een is warm en hartelijk omdat ze voelt wat voor haar van waarde is en daaruit put. De ander toont hetzelfde, maar zonder die eigen bron: ze levert wat anderen vragen, en het kost haar energie. Het gedrag is gelijk; wat eronder ligt, niet.
Daarom kan het verschil ook niet uit gedrag worden afgeleid, en evenmin uit hoe zeker iemand overkomt. Het blijkt uit de verhouding tussen de lagen, en uit het gesprek. Dat is waarom de me.scan drie lagen naast elkaar legt: juist waar ze elkaar tegenspreken, ligt de vraag waar iemands zekerheid op rust.
Hoe vertrouwen groeit
Als vertrouwen op de kern rust, is de volgende vraag of die kern kan veranderen. Het model zegt: ja, maar niet rechtstreeks.
Het model gaat ervan uit dat de kern gevormd is. De innerlijke ruimte, Passie en Vorm, wordt vermoedelijk vooral gevormd door het systeem waarin iemand opgroeit. De speelruimte, Actie en Aanpassing, vermoedelijk vooral door de eigen ervaringen. Volgens dezelfde werkhypothese kan de kern ook verder vormen, en dat gaat langs dezelfde weg: via beleving, ervaring en wat iemand terugkrijgt uit zijn omgeving. Een ontbrekende dimensie bouw je niet op door haar rechtstreeks aan te spreken of af te dwingen. Ze groeit via wat er al wel bewust aanwezig is.
Dat verklaart waarom de cirkel van de stilstand uit het derde artikel zo hardnekkig is. Wie geen nieuwe ervaringen opdoet, ontneemt zichzelf precies de weg waarlangs de kern zich verder vormt. En het verklaart waarom de uitweg bij kleine experimenten ligt, dicht bij wat iemand al doet.
Twee gegevens uit het profiel helpen daarbij. Het eerste is Natuurlijk Potentieel: thema’s waartoe iemand zich in de beeldlaag aangetrokken voelt, maar waarvan hij het bijbehorende gedrag niet als eigen herkent. De aanleg is er, maar is nog niet eigen gemaakt. Waarom niet, stelt het profiel niet vast. Die ingehouden energie verdwijnt niet. Ze kan zich tonen als onrust, verlangen of frustratie. Het derde artikel noemde die onrust informatie. In het profiel is zichtbaar waar ze vandaan kan komen.
Het tweede is de energiebalans. Herstel komt niet uit het stoppen met gedrag dat energie kost, maar uit het ruimte geven aan wat energie geeft en aan wat nog sluimert. Dat is ook de lijn waarlangs trots kan plaatsmaken voor vertrouwen: niet door minder te doen, maar door meer te doen van wat van nature bij iemand past.
Wat de me.scan niet doet
Een paar grenzen horen bij dit verhaal.
Het profiel is een momentopname. Het laat zien hoe de lagen zich nu tot elkaar verhouden, niet hoe iemand zich zal ontwikkelen.
Het profiel meet geen zelfvertrouwen, geen eigenwaarde en geen stress. Het laat zien waar gedrag uit eigen kracht komt en waar het energie kost, en hoe de kern eronder is opgebouwd. Wat dat voor iemand betekent, blijkt uit het gesprek.
Uitspraken over waar een patroon vandaan komt, zijn werkhypotheses en geen vaststellingen.
Het profiel stelt geen burnout vast en sluit die ook niet uit. Burnout is een klinisch begrip. Vaststelling en behandeling liggen bij de bedrijfsarts, de huisarts of een GZ-psycholoog. Het profiel kan hoogstens het gesprek daarover openen.
Tot slot
Het verschil tussen trots en vertrouwen is geen verschil in hoe zeker iemand is, maar in waar die zekerheid op rust. Trots volgt het gedrag en de waardering die het oplevert. Vertrouwen rust op een kern in evenwicht: voelen wat van waarde is, je eigen maat kennen, zien dat je kunt handelen en begrijpen wat de situatie vraagt. Het onderzoek laat zien wat het kost als zekerheid alleen op het eerste rust. De me.scan laat zien waar in een persoon het verschil zit, en waar ontwikkelruimte ligt.
Bronnen
- Blom, V. (2012). Contingent self-esteem, stressors and burnout in working women and men. Work, 43(2), 123–131.
- Brickman, P. & Campbell, D.T. (1971). Hedonic relativism and planning the good society. In M.H. Appley (red.), Adaptation-level theory (pp. 287–302). New York: Academic Press.
- Crocker, J. & Park, L.E. (2004). The costly pursuit of self-esteem. Psychological Bulletin, 130(3), 392–414.
- Crocker, J., Sommers, S.R. & Luhtanen, R.K. (2002). Hopes dashed and dreams fulfilled: Contingencies of self-worth and graduate school admissions. Personality and Social Psychology Bulletin, 28(9), 1275–1286.
- Crocker, J. & Wolfe, C.T. (2001). Contingencies of self-worth. Psychological Review, 108(3), 593–623.
- Deci, E.L. & Ryan, R.M. (1995). Human autonomy: The basis for true self-esteem. In M.H. Kernis (red.), Efficacy, agency, and self-esteem (pp. 31–49). New York: Plenum.
- Elliot, A.J. & Church, M.A. (1997). A hierarchical model of approach and avoidance achievement motivation. Journal of Personality and Social Psychology, 72(1), 218–232.
- Grandey, A.A. (2003). When “the show must go on”: Surface acting and deep acting as determinants of emotional exhaustion and peer-rated service delivery. Academy of Management Journal, 46(1), 86–96.
- Hallsten, L., Josephson, M. & Torgén, M. (2005). Performance-based self-esteem: A driving force in burnout processes and its assessment. Stockholm: Arbetslivsinstitutet (40 p., ISBN 91-7045-744-1).
- Ibarra, H. (2003). Working identity: Unconventional strategies for reinventing your career. Boston: Harvard Business School Press.
- Kernis, M.H. (2003). Toward a conceptualization of optimal self-esteem. Psychological Inquiry, 14(1), 1–26.
- Rogers, C.R. (1959). A theory of therapy, personality, and interpersonal relationships, as developed in the client-centered framework. In S. Koch (red.), Psychology: A study of a science, Vol. 3 (pp. 184–256). New York: McGraw-Hill.
- Xanthopoulou, D., Bakker, A.B., Demerouti, E. & Schaufeli, W.B. (2007). The role of personal resources in the job demands-resources model. International Journal of Stress Management, 14(2), 121–141.
Benieuwd naar je eigen talent?
Start met de online intake en ontdek je fundament.
